Vreemde eend

image

Al mijn hele leven voel ik me een vreemde eend in de bijt. Ik deed mijn best om dat niet te laten merken, wilde zijn zoals iedereen. Ik weet nog goed dat ik op de manege veel liever knuffelde en borstelde dan reed op mijn paard. Dat ik niet graag op de drukke wasplaats stond maar veel liever echt samen was met Raffinette. Gewoon, zij en ik, en verder even niemand. Ik vroeg me altijd af waarom mensen niet in stilte hun paard konden verzorgen. Ik voelde me best een beetje raar.

Ik mag geloof ik wel zeggen dat ik behoorlijk door de wol geverfd ben. Het zou een veel te droevig verhaal worden om allemaal op te schrijven, maar het is wel mijn basis. Steeds het idee hebben dat ik “anders” was. Veel eenzaamheid omdat ik continu leerde dat ik vooral mezelf niet mocht zijn. Ik moest dressuur rijden, presteren op school zoals mijn broer en zus, een beroep kiezen, niet laten merken dat ik een handicap had. Hard werken, geen emoties tonen. Het was dagelijkse stof voor mij.

Ik leefde mijn leven en had steeds het gevoel dat ik er niet bij hoorde. Keer op keer kreeg ik een gevoel van “ik” en “de rest”. Ik voelde me alleen op de wereld.
Was ik alleen dan was ik een ander mens. Was ik bij mijn moeder had ik een ander gezicht dan bij mijn vader. Of mijn oma, tante, klasgenoot of leraar. Steeds had ik mijn voelsprieten uitstaan: hoe zou ik me moeten gedragen? Wanneer zou deze persoon mij accepteren? Ik hoorde het te vaak: doe toch eens normaal! Maar hoe dan, dacht ik bij mezelf. En waar is er plaats voor míj?
Al die jaren zonderde ik me af. Ik had het best naar mijn zin in die kerk, ook al voelde ik me raar. Ik vond het best leuk op school, ook al dacht ik dat ik de enige was die “anders” was. Echte vriendschappen ging ik daarom niet aan. Wat als iemand ineens zou zien hoe ik werkelijk was? Dan was ik niet goed genoeg. Ik hield iedereen op afstand.

Toen kwam Gert. Er gebeurde ineens iets heel raars. Bij hem kon ik alleen maar mezelf zijn, iets anders lukte niet. Ik probeerde en probeerde maar niets hielp. Toch bleef hij. Wat gek! Ik was gewoon mezelf en hij vond me alsnog leuk. Ik wist niet dat het kon.
Stukje bij beetje ontdekte ik daardoor wie ik was. Voor de buitenwereld bleef ik hetzelfde. Nooit het idee dat er ergens echt iemand is die weet wie ik ben.
Daar ben ik klaar mee. Ik wil en kan zo niet meer leven. En dus spring ik nu in het diepe. Hé, jij daar?! Dit ben ik. En ik ben een beetje raar. Of misschien voelt dat alleen maar zo. Maar vandaag gooi ik de luiken open en laat ik iedereen binnen kijken.
Laat me maar fijn een beetje raar zijn.

Onze paarden lopen sinds kort op een Paddock Paradise. Een manier van weidegang die uitnodigt veel natuurlijk gedrag te vertonen. De paarden staan 24/7 buiten, óók het paard wat gereden wordt. Er loopt een paard dat op haar zevende met pensioen is gegaan gelukzalig zichzelf tonnetje rond te eten. Ik ben zo’n moeder die heilig geloofd in de autonomie en aangeboren goedheid van een kind. Ik geloof dus niet in “laten huilen” en “verwennen van een baby”. Met mijn wasbare luiers en mijn dochtertje die met vijf maanden zo’n 90% van haar behoeften op een potje doet omdat ik doe aan babyzindelijkheidscommunicatie (dat is een blog op zichzelf waard denk ik) ben ik ook al best een beetje anders misschien. Ik draag haar in een draagdoek. Heel veel, heel vaak en heel lang. Dat vinden we beide fijn. Ze hoeft zich nooit in slaap te huilen, of zelfs te huilen zonder te worden getroost, mag aangeven wat ze nodig heeft en dat krijgt ze dan ook. Het is tenslotte nog maar een baby. Als zij behoefte heeft aan nabijheid dan krijgt ze die, ook als het misschien even niet zo’n fijn tijdstip is. Ik blijk een moeder te zijn die vecht tot ze erbij neervalt als het aankomt op borstvoeding geven. Prima als een ander de fles wil geven hoor! Maar ik behoor niet tot die categorie. Ik ben van de categorie dragen, borstvoeding en samen slapen. Van gifvrij, houten speelgoed, van gezond eten, geen tv kijken maar liever een goed gesprek voeren of een boek lezen. Ik ben van in de wei zitten bij mijn paarden, naar ze kijken en van dat simpele “zijn” enorm te genieten. Ik ben van urenlange, stille wandelingen met de hond, van naar de kerk gaan als ik daar zin in heb en van thuisblijven als ik dat wil. Ik ben van autonomie, van thuisbevallen met een medische indicatie en dus het halve land door moeten voor een verloskundige die niet denkt in protocollen. Ik ben van luisteren. Naar de emotionele behoeftes van mijn kind, naar de verhalen en (on)uitgesproken woorden van Gert, naar de natuur, naar de behoeftes van onze huisdieren, zelfs het luisteren naar de stilte. Ik ben van mezelf druk maken om de hond en dus nooit zomaar een hele dag van huis gaan. Ik ben van mest uit de wei halen en daar voldoening uit kunnen halen. Van uren in de trein zitten omdat de kleine meid in de auto zo over haar toeren gaat. Van vijf maanden niet paardrijden en ’s avonds niet van huis kunnen omdat er een baby is die mij nog niet kan missen.

Ik las een slogan van iemand die ik prachtig toepasselijk vind:
Ik leef in liefde en volg mijn eigen weg.

Dit is wie ik ben. Misschien een beetje raar, misschien ook wel niet. Misschien moeten mensen wennen, misschien ook niet. Het is tijd om gewoon mezelf te zijn. Ik ben benieuwd wat me dat zal brengen. De laatste tijd heb ik erg de behoefte om een nieuwe start te maken. Dat heeft een duidelijke reden. Ik wil het verleden zo graag achter me laten, loslaten, opnieuw beginnen. Ik heb het gehad over verhuizen. Nieuwe plek, nieuwe mensen, schone lei. Wat als ik mijn lei nu eens gewoon uit wis. Als ik zeg: ik heb het even moeilijk gehad, er is veel gebeurd. Ik deed me stoerder voor dan ik was, maar stoer, dat ben ik eigenlijk niet. Ik ben juist heel erg zacht. Misschien ook een beetje raar, dat weet ik eigenlijk niet. En als dat zo zou zijn, hoe erg is dat dan?

Onbetaalbaar

1507-23-3

Het is al weer bijna twee jaar geleden dat ik trouwde met de liefste, leukste, geduldigste man van de wereld. Mijn Gert. Wat vliegt de tijd!
Het was een bijzondere dag* vol hoogte en dieptepunten. Een dag met een hele duidelijke ‘ja’. Waar ik die dag nog dacht dat ik alleen ja zei tegen Gert, besef ik nu dat ik ja zei tegen een compleet nieuw leven. Ik zei ja tegen een schoonfamilie die me liefdevol opnam in hun harten. Ik zei ja tegen nieuwe kansen voor mezelf, nieuwe mogelijkheden en ontwikkelingen. Ik zei ja tegen mijn gevoel volgen, eigen keuzes durven maken en vooral autonoom zijn.  Ik keerde het verleden de rug toe, zette een dikke streep en begon opnieuw. In de liefde, met de liefste begon ik aan een mooie reis vol persoonlijke ontwikkeling en groei. Die groei werd niet door iedereen gewaardeerd maar ondanks dat voelde het goed. Het was nodig, ik moest worden wie ik diep van binnen was. De liefde speelde niet alleen op die dag maar op alle dagen die daarop volgde de grootst mogelijke rol.

Liefde is iets wat vermeerderd als je het deelt. Een kleine vijf maanden zijn we nu de trotse ouders van een dochtertje. Het is het mooiste wat me ooit is overkomen en ooit overkomen zal. Moeder worden. Het is zo’n gebeurtenis in je leven die je nooit meer los kan laten. De band met je kind is onbreekbaar. Je kan hem misschien in praktische zin wel verbreken als je dat zou willen (en waarom zou je dat willen?!) maar vergeten zal iemand zijn kind nooit. De liefde die je kan voelen voor je eigen kind is onbeschrijflijk. Ik heb er gewoon echt geen woorden voor. Al weken zoek ik er naar maar ik kan ze niet vinden. Geen woord is goed genoeg voor wat ik voel voor mijn gezin. Voor geen goud op de wereld zou ik ze ooit willen missen. Ik zou ze nergens voor willen ruilen, niet kunnen bedenken wat er meer waard zou zijn dan hun aanwezigheid.
In liefde wil je alleen maar geven en toch krijg je zo ongelooflijk veel terug. Daar vraag je niet om, het gebeurd gewoon. Ook dat is zo iets onbeschrijflijks. Als deze twee mensen alleen maar aanwezig zijn geven ze al genoeg. Daar hoeven ze verder niets voor te doen, ze hoeven er alleen te zijn. Of ze nu boos zijn, of verdrietig, eenzaam, bang of juist heel vrolijk en blij. Hun aanwezigheid is genoeg. Dit huis is van steen en beton, tot zij thuis komen. Dan is dit huis ineens een thuis. Dat is wat liefde doet.

Als je denkt aan arm en rijk dan denk je al snel aan geld. Ik heb geleerd dat iemand met veel geld heel arm kan zijn, en iemand zonder geld heel rijk. Mijn rijkdom nam vijf maanden geleden enorm toe met de geboorte van onze dochter. Al zou ik miljoenen op de bankrekening hebben gehad, dan nog had ik dit gevoel niet kunnen kopen. De liefde voor de mensen om je heen, daar kan je alleen maar op hopen. Je kan het alleen maar meemaken door ernaar op zoek te gaan en er naar te leven. Je eigen belangen opzij zetten voor de belangen van iemand anders, omdat je van iemand houdt. Als de liefde groot genoeg is gaat dat helemaal vanzelf, omdat de aanwezigheid meer waard is dan al het geld van de wereld. Liefde is iets geks. Liefde maakt alles mooier.
Liefde is niet te koop. Het is onbetaalbaar.

 

*zie deze blog

50% completed

Vandaag ben ik aanbeland in week 20 van de zwangerschap. Halverwege dus. Ergens kan ik dat nog maar slecht geloven. Halverwege al?!
Het voelt nog vrij onwerkelijk, alsof ik een aantal weken gemist heb. Misschien heb ik dat ook wel omdat ik zo ontzettend ziek ben geweest.

progressbar-50

Dat ben ik nu ondertussen niet meer. Sinds een paar weken ben ik niet meer continu zo ongelooflijk misselijk. Ik kan weer uit bed en ik kan ook weer eten. Nog niet alles maar het begin is toch echt gemaakt. Vreemd blijft het wel, die maag van mij. Verse, warme, havermoutpap komt er ’s ochtends direct weer uit, maar verse, warme Brintapap blijft er prima in. Een boterham met kaas drijft een minuut later in het toilet maar een boterham met chocoladepasta kan ik prima eten. Andijviestamp met rookworst gaat goed, bloemkool met gekookte aardappelen is een drama. Er is soms geen peil op te trekken en wat vandaag goed gaat kan morgen een ramp zijn en andersom. Ik vind het allemaal prima, ik ben al lang blij dat ik me niet meer zo ziek voel en de kilo’s me niet meer om de oren vliegen. Ik ben er heel wat kwijtgeraakt, kilo’s. Zoveel dat ik nu, met 20 weken zwangerschap, nog altijd maatje 34 draag en daar een riem in moet doen waar ik een extra gaatje heb moeten prikken. Een buik is nergens te bespeuren.

Dat heeft zo zijn voor- en zijn nadelen. Het voordeel is dat ik mijn eigen spijkerbroeken voorlopig nog gewoon aan kan en dat ik nog niet hoef te investeren in positiekleding. Het is een voordeel dat ik nog gewoon heerlijk op mijn buik kan slapen, dat mijn buik me nooit in de weg zit en dat mijn winterjas dicht kan nu het kouder is geworden buiten. Het nadeel is dat niemand ziet dat ik zwanger ben. Soms is dat onhandig, soms is het gewoon niet zo heel erg leuk en soms is het buitengewoon hilarisch. Zoals vorige week, toen ik voor een zwangerschaps-BH naar de winkel ging en de mevrouw die kwam vragen of ze me ergens mee kon helpen zei dat een BH niet altijd handig is om cadeau te geven. ‘Nou, mevrouw’, zei ik. ‘Ik zoek een BH voor mezelf. Ik ben namelijk bijna twintig weken zwanger’. De mevrouw wist even niet wat ze moest zeggen en ik kon mijn lachen niet inhouden. Hilarisch was het ook toen ik ziek was geworden van rode kool met hachee. Mijn darmen bliezen enorm op en mijn buik leek uit elkaar te knappen. Een toiletbezoek hielp niet en dus liep ik met een joggingbroek de huiskamer in om daar tegen Gert te zeggen: ‘moet je zien joh, hoe opgeblazen ik ben. Ik lijk wel zwanger!’

Het was allemaal iets minder hilarisch toen mijn aangezichtszenuwen totaal overstuur raakten door een ontsteking. Ik kreeg afschuwelijke pijn en de tandarts waar ik normaal kom zei dat hij niets kon zien aan de kies en dat ik maar een pijnstiller moest nemen. Een pijnstiller? Een paracetamol deed helemaal niets en verder kon ik natuurlijk niets nemen. Ik besloot om mijn oude tandarts op te bellen, waar ik jaren patiënt ben geweest voor ik verhuisde. Ik mocht meteen langskomen, ze wisten er schijnbaar nog goed wie ik was. Een klein uur later zat ik huilend in de auto naast Gert, op weg naar de kaakchirurg. De zenuw reageerde niet op de verdovingen die de tandarts had gezet en de pijn was afschuwelijk, ondraaglijk en onmenselijk. De tandarts kon niets anders dan me doorverwijzen naar de kaakchirurg, die zou moeten gaan beslissen of ik onder narcose geholpen zou moeten worden of niet. Narcose tijdens de zwangerschap is niet goed, zo simpel is het. Dat zouden we niet gaan doen, de baby ging nu voor. Maar ja, wat dan?
Verblind door de pijn hing ik aan de arm van Gert en kwamen we aan bij de kaakchirurg. Hij had ooit, 20 jaar geleden, ook een geval meegemaakt van iemand die zoveel pijn had maar niet onder narcose kon. Hij kon het proberen te verdoven zoals hij dat destijds had gedaan. Het was veilig voor de baby en niet geschoten was altijd mis. De verdoving zou niet lang werken en er was vanwege dat tijdgebrek maar één optie: die kies moest eruit zodat de ontsteking ruimte kreeg en niet meer op de zenuw drukte. pregnancy
15 injecties later was de boel verdoofd en kon de kies worden getrokken. Ik kon de beste man wel zoenen, zo blij was ik. Ik had nu alleen geen enkele kies meer in mijn mond dus hoe ik de komende maanden zou moeten eten was me nog even een raadsel. Na de bevalling zullen we daar een oplossing voor moeten bedenken. Tot die tijd had ik verwacht alvast Olvarit in te moeten slaan. Nu, vier weken later, ben ik er redelijk aan gewend en kan ik vrij veel dingen gewoon eten.

Week 18 en 19 waren eigenlijk vooral heel erg leuk. Ik wandel weer met Nelson en geniet volop van de kleine wiebelkont in mijn buik. Dat is namelijk een ander voordeel van zo dun zijn, ik voelde het kindje al in week 17. Gert voelde het kindje een week geleden ook al schoppen. Het maakt het wel echt levendig, zo’n bewegend wezentje in je buik. Ik vind het heerlijk in elk geval.

Wat ik ook heerlijk vond was het dagje shoppen met mijn schoonmoeder en schoonzus. We gingen de hele dag op pad om van alles te kopen voor de baby. Van ledikantlakentjes tot luieremmer, van alles zochten we uit. Het was genieten met een hoofdletter. We lachten wat af samen en kletsten honderduit. Ook daar ging het natuurlijk over mijn buik, of het gebrek daaraan, en we spraken af dat we later misschien nog eens konden afspreken om voor postitiekleding te gaan winkelen. Ik vind het een heel goed idee!

Wat ik ook heel leuk vind om te doen is het kiezen van namen. Zou het een jongetje, of een meisje worden? Bij veel namen zie je ineens ook een gezicht en herinner je dat je iemand gekend hebt met die naam. Het brengt leuke verhalen naar boven om aan elkaar te vertellen.
Ook het schilderen in huis is nu iets dat ineens gedaan wordt. Dat wilde ik al zodra we hier kwamen wonen maar telkens kwam er iets tussen. Nu de kleine komt, en we de kamers anders zullen gaan inrichten, is het ineens veel leuker om er ook meteen echt werk van te maken en aan het schilderen te slaan. En zo sta je dan ineens op een zondagmiddag te schilderen samen. Het is weer eens wat anders dan samen paardrijden.
Want dat paardrijden, dat gaat helaas niet meer lukken. Ik heb heel veel conditie moeten inleveren en ik ben ontzettend snel moe. Mijn balans is daarnaast ook nog wat minder en hoewel ik nog geen buik heb komt het moment dat het niet meer verantwoord is om te rijden ook al snel dichterbij. Ik mis het enorm, het paardrijden. Gelukkig ben ik zwanger in de winter, dat maakt dat ik vaak naar buiten kijken en kan denken: ‘wat héérlijk dat ik nu niet in de stromende regen ons paard hoef te rijden!’ Ach, dat paardrijden komt wel weer. Eerst maar lekker zwanger zijn.

Ondanks dat ik zo ontzettend ziek ben geweest en zoveel ben afgevallen gaat het met ons kindje allemaal goed. Hij of zij beweegt zich lekker en groeit keurig. Wat is het toch bijzonder, 20 weken zwanger. Die 20 weken zijn omgevlogen. Ergens kan ik niet wachten tot ons kindje er is, en ergens vind ik het heerlijk dat we nog even de tijd hebben om te wennen aan het idee dat die wiebelende baby straks niet meer in mijn buik zit maar in ons huis woont.

Braaf schaap

Voor de meeste mensen om mij heen zal het geen nieuws meer zijn, maar voor diegene die het nog niet weten: ik ben zwanger!
Vandaag precies 14 weken. Het is een dolle tijd, zo’n zwangerschap. Echt een dolle tijd. Of een tijd om dol van te worden, het is maar net hoe je het ziet.

Het was 29 juli 2016. Precies 19 jaar geleden dat ik mijn ongeluk kreeg. Gert en ik grapten nog heel leuk of we wel een zwangerschapstest moesten doen of dat we wel konden vertrouwen op de misselijkheid en de huilbuien. Natuurlijk deden we een test en die vertelde ons wat we eigenlijk al wisten. Zwanger! Ik moest ervan huilen. Zoals ik om alles moest huilen de laatste dagen.
Zoals die ene avond, met Gert buiten in de tuin. We keken naar de vallende sterren, de hond lag tussen ons in. En toen, zomaar ineens, begon ik te snikken. ‘Wat hebben we het toch goed hier, vind je niet?!’ Of de dag na de vakantie, toen Gert ’s avonds thuiskwam van zijn werk. Ik zag hem binnenkomen en ik vond hem zó lief, dat ik er spontaan een huilbui van kreeg. Best grappig, die hormonen. We konden er samen heerlijk om lachen.

aankondiging-facebook

Waar we iets minder om konden lachen was de misselijkheid. In het begin was ook dat nog best geinig. Groen en geel van Aerro afstappen, in de kruiwagen spugen tijdens het uitmesten van de stallen of in de bosjes tijdens de wandeling met Nelson. We zagen er soms best de humor van in. Tot het toch wel wat uit de hand begon te lopen, die misselijkheid. Er kwamen steeds meer dagen dat ik eigenlijk helemaal niets kon eten. Dat ik blij was als ik een kiwi op had op een dag. Een hele kiwi op een hele dag. En twee glazen water. Op die dagen was ik zo misselijk dat ik eigenlijk met goed fatsoen gewoon niet uit bed kon. Ik deed het wel, maar eigenlijk ging het niet. Maar kom op, ik was zwanger, niet ziek! Ik gaf mezelf een schop onder mijn kont en ging wat doen. Toen Gert op een ochtend naar zijn werk was en ik mezelf weer uit bed hees besefte ik dat het zo niet langer ging. Ik had al dagen niets meer gegeten en die ochtend kon ik ook geen water meer binnen krijgen. Ik belde de verloskundige en mocht meteen langskomen. Ze zag me zitten in de wachtkamer, een flesje water in de ene hand en een plastic zak in de andere. Ik kon amper rechtop zitten.
Al snel belde de verloskundige naar het ziekenhuis. Daar moest ik even langskomen om te kijken wat we zouden gaan doen. Er moest iets gebeuren, want niet kunnen eten én niet kunnen drinken was natuurlijk niet goed. Ik reed naar het ziekenhuis en was blij toen ik er was. Ik hoopte dat ze me iets zouden kunnen voorschrijven en dat ik snel weer thuis in mijn bed zou kunnen liggen. De paarden stonden nog op de wei, de hond was nog niet uitgelaten. Maar eenmaal binnen bleek dat ik niet zomaar weer buiten zou staan. Mijn urine werd gecontroleerd en ik bleek behoorlijk uitgedroogd. Ik moest aan het infuus. Mijn lichaam was spieren aan het afbreken om het verlies van vocht en voeding te compenseren. Het ging echt niet goed. ‘Ik ben zwanger’, zei ik tegen de arts, ‘misselijk zijn hoort er gewoon bij.’ Maar zo misselijk zijn als ik was, nee, dat vond hij er toch niet gewoon maar meer bij horen.

Een uur later was alles geregeld. Ik had een infuus in mijn arm dat op volle snelheid vocht in mijn lichaam pompte. Ik mocht niet naar huis om de paarden binnen te zetten of de hond uit te laten. Mijn lichaam kon het niet meer aan op deze manier. Ik kon niets anders doen dan op bed liggen met mijn ogen dicht in de hoop dat het minder zou worden allemaal. De gynaecoloog had me uitgelegd dat ik een zwangerschapsziekte had. Hyperemisis Gravidarem (afgekort HG), oftewel een extreme vorm van zwangerschapsmisselijkheid. In mijn bloed zat een belachelijke hoeveelheid zwangerschapshormoon waar ik alleen maar heel erg ziek van kon worden. Er was niets aan te doen. Ik kreeg medicijnen en vocht. Verder was het afwachten. Soms herstelde het lichaam zich na een aantal dagen “doorspoelen”, maar soms niet. Soms ging het na 12 weken beter, soms ook niet. Ik mocht 24 uur niets eten of drinken om de maag tot rust te laten komen. Wat vond ik dat een heerlijk nieuws! Geen gevecht om iets binnen te krijgen en te houden was een hele grote stap voorwaarts.

20160820_115053_resized

De drie liter vocht per etmaal die ik kreeg deden niet zo heel erg veel. Ik was en bleef 24 uur per dag ongelooflijk misselijk. Eten ging niet, drinken ook niet. Het enige wat ging, was op mijn rug in bed liggen. Op mijn zij liggen ging niet, dan moest ik spugen. Rechtop zitten ging ook niet, dan werd ik zo misselijk dat ik er bijna van in paniek raakte. Op mijn rug liggen dus. Van lezen werd ik misselijk. Van internetten ook. Ik hield mijn ogen dicht en lag stilletjes te wachten tot het beter zou gaan en moest de tranen soms toch wel weg slikken. Het was gewoon niet leuk allemaal.

Het duurde lang voor het beter ging. Ik ging het ziekenhuis uit en drie dagen later lag ik er weer in. Het hele circus van niet eten of drinken, infuus prikken, drie liter vocht per etmaal krijgen en stilletjes in bed liggen begon weer van voor af aan. De arts wilde sondevoeding geven maar dat zou nog wel eens heel ingewikkeld kunnen worden met mijn gereconstrueerde neus. We belden met Utrecht, het ziekenhuis waar ze mijn neus hebben gemaakt, en de gynaecoloog durfde het niet aan. Ondertussen was ik ongelooflijk veel afgevallen en had ik ruim 10 kilo ondergewicht.

Uiteindelijk mocht ik na een flink aantal dagen naar huis. Ze konden niets voor me doen, daar kwam het eigenlijk op neer. Met het gebruik van medicijnen kon ik steeds hele kleine slokjes appelsap drinken en kwam ik precies aan de minimale hoeveelheid vocht die ik moest hebben. Dat was voor nu genoeg. Ik kreeg vloeibare voeding voorgeschreven van de diëtiste en als ik daar elk half uur een slokje van dronk dan had ik aan het eind van de dag drie flesjes op. Dat mochten er zes zijn, maar we waren al blij met drie.
Zo ging ik naar huis. Wat was ik blij om Nelson weer te zien, de paarden buiten te zien staan, weer in mijn eigen omgeving te zijn. Maar zoals ik al vaker had ervaren valt het soms niet mee om thuis te zijn. Gert belde zijn baas en kreeg alle medewerking om thuis voor mij te kunnen zorgen. Ik kon namelijk niets zelf. Ik kon op mijn rug op de bank liggen, opstaan en naar het toilet lopen en weer terug. Ik was acht weken zwanger, de roze wolk was toch best wel grijs. Nog minstens vier weken te gaan voor het beter zou kunnen worden.

De mevrouw van de dieetvoeding belde. Welke bestelling ik wilde plaatsen, wanneer die bezorgd zou kunnen worden en voor wie het was. Ze vroeg me ook hoe het kwam dat ik zoveel voeding nodig had. Ik vertelde haar van de misselijkheid, het niet kunnen eten en de zwangerschap. ‘Ooooh mevrouw, wat leuk! Gefeliciteerd! Geniet er maar van, hoor, van deze mooie tijd!’ Ik zei maar even niets. Genieten? Haha. Die had iets niet begrepen geloof ik.
Op de vensterbank van de keuken stonden behoorlijk wat kaartjes. Kaartjes met ‘Beterschap’ en foto’s van fruitmanden en kaartjes van ‘Hoera! Zwanger!’. Het was best een bijzondere combinatie.

Van die lieve Gert kreeg ik een abonnement op Netflix. Ik kon dan misschien geen marathons meer wandelen met Nelson, ik kon wel een marathon serie-kijken houden. Dat was toch iets. Ik kwam er mijn tijd stukken beter mee door.
Ondertussen bleven we er ook vooral om lachen. We konden er eigenlijk wel om huilen, maar wat had dat voor zin? En dus zei ik met een knipoog tegen Gert dat hij me toch wel een iets minder lastige baby had mogen geven. Grapte ik dat de baby nu al op hem leek, omdat het zo protesteert tegen verse groenten en fruit en liet ik de echoscopiste in de lach schieten toen ik heel serieus zei dat de baby natuurlijk weer op zijn vader leek toen ze vertelde dat het zo eigenwijs was dat het niet even goed wilde gaan liggen voor een mooie echo. ‘Het heeft twee hele mooie hersenhelftjes. Die zijn al prima ontwikkeld’, zei ze. ‘Natuurlijk’, zei ik, ‘dat heeft het van mama.’
Ik grap geregeld dat het ziek zijn wel als voordeel heeft dat ik voorlopig nog geen positiekleding nodig heb omdat mijn broeksriem nu toch echt wel een paar gaatjes strakker zit dan vóór de zwangerschap en dat ik waarschijnlijk na de bevalling niet hoef te gaan lijnen.

wp_20160930_008

3-D echo van ons 12 weken oude kleintje.

Ondertussen weten we ook al wat het wordt als we iedereen mogen geloven. De één zegt dat je echt zeker een meisje krijgt als je zo misselijk bent. Van een jongetje ben je lang niet zo ziek. De ander zegt dat het een teken is dat je een intelligent kind krijgt en weer een ander dat je een kind krijgt met lang haar. Oftwel: wij krijgen een vrouwelijke Einstein met het haar van Rapunzel. Leuk!

Vandaag ben ik veertien weken zwanger. De magische twaalf weken zijn gepasseerd. De baby doet het prima, mams doet het ietsjes minder. Mams ligt namelijk nog steeds op haar rug op de bank voor broedmachine te spelen. Het is wel wat verbeterd. Ondertussen ben ik niet meer elke dag zo heel erg ziek maar om de dag. Die ene dag kan ik eventjes van de bank. Even de paarden op de wei zetten, of even met de stofzuiger door het huis. Niet allebei, dat lukt meestal niet, maar ik ben nu overal blij mee. Eten gaat ook iets beter. Ik kan fruit uit blik eten (vers fruit wil deze baby niet, gewoon echt absoluut niet, net zoals groenten en vlees), ijs (raar maar waar, ijs gaat goed in alle vormen, kleuren en smaken, het is een kleine zoetekauw daarbinnen) en wit brood met aardbeien, het liefst met extra suiker (ik zei toch al dat het een zoetekauw is!). Warm eten lukt niet. Soms eet ik een keer een tosti, dat gaat dan nog wel. Ook met wit brood want bruin brood vind mijn baby te gezond. Eten valt nog steeds in mijn maag als vloeibaar beton, dus nadat ik iets gegeten heb ben ik een uur of twee helaas niet het zonnetje in huis.

Sinds een paar weken weet ik ook ineens wat doorliggen is. En dat je daar echt, echt, écht niet vrolijk van wordt. Tjonge wat kan het pijnlijk zijn om steeds op dezelfde botten te moeten liggen. Gelukkig gaf iemand me de tip om een speciale schapenvacht te bestellen. Er zijn namelijk speciale, hele dikke schapenvellen tegen doorliggen. Wat een verademing! De plekken die ik had zijn (op één na) genezen en er zijn er geen meer bijgekomen. Braaf schaap!

Er is nog steeds wel een kans dat het omslaat of beter gaat worden. Misschien volgende week, misschien bij 20 weken of misschien pas veel later. We wachten het maar gewoon geduldig af. Tot die tijd houden we maar vast aan de reclameboodschap van het schoonmaakmerk HG.

HG: doet wat het beloofd!

 

 

Dankbaar

Het is al even stil, hier, op de website. Er is ook zoveel gebeurd allemaal.
Normaal ben ik er niet zo van om te vertellen over de moeilijke dingen die ik meemaak in het leven. En eigenlijk is dat best vreemd. De moeilijke dingen maken mij immers tot wie ik ben, zijn een kern van mijn leven. Waarom alleen het leuks willen delen?

Fotomapje tijdens bruiloft 1

Op 16 oktober zijn Gert en ik getrouwd. Het was een fantastische, prachtige, bijzondere, geweldige dag. Heel cliché, het was de mooiste dag van mijn leven. Ik zal er nog heel vaak met heel veel plezier aan terugdenken.
Terugdenken aan al die mooie dingen. Aan de rit in de open koets, waarvan het best bijzonder was dat die kon doorgaan, gezien het weer van eerdere dagen. De rit was gezellig en speciaal, omdat ik de koetsier al zo lang ken.
Daarna de warme, bijzondere betrokkenheid van de ambtenaar van de burgerlijke stand, die zo goed wist te verwoorden waarom ik zo van Gert hou, en hij van mij. Wat is het bijzonder om te horen. Natuurlijk weet ik dat Gert van me houdt, maar zijn woorden van liefde raakten me in het diepst van mijn ziel. De speech van mijn lieve, trouwe vriendin, de muziek die we hadden uitgekozen, het lachen van zoveel mensen.
Na het burgerlijk huwelijk volgde de kerkelijke inzegening. Deze werd begeleid door een fantastisch gospelkoor, met lieve mensen die ik al heel lang ken maar al tijden niet meer gezien had. Zoveel passie, zoveel vreugde, zoveel emotie in hun muziek. En dan mijn eigen lied, wat ik zong voor Gert en waarvoor Ferry van Leeuwen mij kwam begeleiden op gitaar. Mijn zenuwen lieten zich precies genoeg bedwingen, en al haalde ik wat tekst door elkaar (ach, kleinigheidje blijf je houden, toch) ik zong door en maakte er wat moois van. Voor hem. Voor mijn Gert. Och wat ben ik toch gek op die man. Mijn man.

Ons nichtje, zo klein nog, zo lief. Ze had het al maanden over bloemetjes strooien en ringen geven. Ze vond het zo spannend maar ze deed het zo goed die dag. Mijn schoonouders, zo ontroerd, zo vereerd. Zo vol trots om hun zoon die daar zo stond te stralen. Ik heb geen kinderen, maar ik kan me voorstellen dat je als ouders soms de vraag aan elkaar stelt: zou het wel goed komen allemaal? Zou mijn kind wel het geluk weten te vinden? Het antwoord was een duidelijke ‘ja’ die dag. Gert en ik hebben elkaar gevonden. Meer geluk kunnen we niet wensen.

Fotomapje tijdens bruiloft 3

Ik weet nog goed het moment dat Gert en ik, met bruidsmeisje Anna, de kerk inliepen en ik mijn uiterste best moest doen om de tranen die ik voelde opkomen we te slikken. Er waren zoveel mensen. Zoveel lieve vrienden en kennissen die ons het allerbeste wensten. Die ons het geluk zo ontzettend gunnen, die zo blij voor ons zijn. Die speciaal voor ons vrij hadden genomen van hun werk en het halve land waren doorgereisd om bij onze bruiloft te zijn. Wat een ontzettend mooi, dankbaar moment. Een moment waar ik nog graag aan terug wil denken. Ik voelde me zo ongelooflijk dankbaar. Daar, in die kerk, met mijn man aan mijn zijde en al die lieve mensen om ons heen, besefte ik hoe rijk ik ben. Rijk, met een man die zielsveel van mij houd. Rijk met een vriendin die al ruim 9 jaar met me schrijft, rijk met mijn schoonouders die me vanaf het eerste moment dat ik ze leerde kennen het gevoel hebben gegeven dat ik welkom ben. Rijk met mensen die hun uiterste best hebben gedaan om deze dag onvergetelijk te maken. Van de voorganger van de kerk tot de bakker van de taart. En wat is het goed gelukt. En wat ben ik iedereen die er bij was intens dankbaar.

Er was nog een groep mensen die de dag onvergetelijk hebben gemaakt.
Dat was de groep mensen die besloot om niet te komen. Het heeft me veel verdriet gedaan dat er een groep mensen is die deze beslissing genomen heeft. Een groep mensen die besloten lijkt te hebben dat er overal ruzie om gemaakt kan worden. Die hun eigen belang voorop zetten, die niet bereid zijn om te denken in oplossingen, maar blijven denken in problemen. Die niet lijken te kunnen accepteren dat ik gegroeid ben. Dat ik veranderd ben, volwassen ben geworden en van meisje ben ontwikkeld naar vrouw. Het doet pijn. Heel veel pijn.
Maar ondanks die pijn weet ik, dat het mijn ontwikkeling niet tegenhouden mag. Dat ik moet worden, wie ik diep vanbinnen ben. Er zullen mensen zijn die de nieuwe Marloes niet kunnen accepteren, omdat ze niet langer kostte wat het kost het iedereen naar de zin wil maken. Omdat ze heeft geleerd dat het goed is om ook te kijken naar wat ze zelf wil. De één stimuleert me in die groei naar zelfstandigheid, komt naast me staan, houdt me bij de hand en begeleidt me naar een rustige, stabiele toekomst waarin ik volledig mezelf kan zijn. De ander wil die groei tegenhouden, vecht tegen elke vorm van verandering en maakt elke vorm van contact ingewikkeld. In plaats van me de hand te reiken, laten ze me dobberen.
Rondom de bruiloft ontstond er een soort van kuddegedrag. ‘Als zij niet komt, of hij niet, dan kom ik ook niet’.

Mijn eerste reactie was krampachtig proberen de mensen die ik zou gaan missen, vast te houden. Ik stak er bergen energie in, huilde er heel wat tranen om, maar het hielp niets. En dus was er maar één oplossing. Niet meer vasthouden. Loslaten. Verder kijken. Accepteren dat je als mens alleen invloed hebt op jezelf. Wat zeg ik? Nou dit: als mens heb je alleen invloed op jezelf. Knoop dat maar heel goed in je oren. Als je dat namelijk tegen jezelf zegt als mensen weer eens oneerlijk zijn, dan zal het je helpen. Je kan iemand niet veranderen. Je kan wel jezelf veranderen, of de manier waarop je met dingen omgaat. En dus ging ik dat doen.

Ik ging me focussen op wat er wel was. Wat was nu eigenlijk echt belangrijk? Dat mensen die het me zo moeilijk maken de laatste tijd, er die dag dan toch bij zouden zitten terwijl ze niet beseften hoeveel verdriet ze me hebben gedaan? Of was het belangrijk dat Gert er was. De liefde van mijn leven. Ja, daar ging het om. De rest was bijzaak.

Fotomapje tijdens bruiloft 2

En zo gingen we de dag in. Op het allerlaatste moment besloot er nog iemand niet te komen, die ik wel had verwacht. Maar wij konden het aan. Gert en ik, schouder aan schouder. Wij waren flexibel. Wij wisten: je hebt alleen invloed op jezelf. Wij gaan niet langer mensen krampachtig vasthouden die eigenlijk niet bij ons willen zijn. Wij laten los. Want datgene wat je loslaat en toch bij je blijft, dat zal nooit weg gaan. Wat?! Ja, echt. Datgene wat je loslaat en wat ondanks dat toch bij je blijft, dat zal nooit echt bij je weg gaan. Dat wil niet zeggen dat wij niet investeren in vriendschappen. Maar het wil wel zeggen dat wij niet meer alles doen wat mensen van ons verwachten. Of beter gezegd: dat ik dat doe. Want Gert was er toch al niet zo’n fan van als alles van één kant moest komen. Als mensen zeggen: als jij dit of dat niet doet, dan kom ik niet meer.

En dus lieten we los, en hielden ons vast aan elkaar. Dat hadden we nodig namelijk. Want o hemel wat is loslaten zwaar. Je kan heel veel kracht hebben om dingen vast te houden, maar je moet heel veel moed hebben om los te laten. Maar wat was het mooi om te zien wat er toen gebeurde. Er kwamen mensen uit alle hoeken van het land. Iedereen was blij, iedereen was trots op ons, iedereen deelde mee in onze vreugde. Ik hoorde het veel die dag en het deed me zo ongelooflijk goed: ‘Marloes, wat ben ik trots op jou.’ Voor even was er geen pijn en verdriet. Het was zoals een goede vriend van me zei: ‘er zijn mensen die ervoor gekozen hebben deze dag niet te willen meemaken. Laat het voor hen een groter gemis zijn, dan voor jou’. Zo was het maar net. Wij genoten met volle teugen. Er waren mensen die dat niet met ons wilden delen. Ze hebben wat gemist. Het was de mooiste dag van mijn leven. Ik was er bij. Jij ook? Of heb jij het gemist?

Fotomapje tijdens bruiloft 4

Onze bruiloft. 16 oktober 2015. Een dag om nooit, maar dan ook nooit meer te vergeten. Niet om wat er niet was, maar juist om wat er wel was, namelijk liefde. Alleen maar heel veel liefde.

Wil ik met deze blog zeggen dat ik kwaad ben op een groep mensen? Nee. Integendeel. Ik laat los. En dus laat ik ook mijn boosheid los, en mijn gemis. Ik maak het mooiste van het leven met dat wat ik heb. Ik weiger om te blijven hangen in dat wat ik mis. Wil dat dan zeggen dat ik niemand mis? Nee, dat niet. Natuurlijk mis ik mensen. Maar het leven gaat door en ik maak er wat moois van. Sommigen zullen dat bewonderen, anderen zullen dat verafschuwen. Waar het om gaat is dat ik tegen mezelf kan zeggen dat ik alles gedaan heb wat in mijn vermogen lag om in vrede met iedereen samen te leven, maar dat er mensen zijn die een andere keuze hebben gemaakt. Ik heb echter alleen invloed op mezelf. En dus ga ik verder.
Ben jij er bij?

Mies

Onze veestapel is, onbedoeld, weer uitgebreid. Sinds een tijdje hebben we er namelijk een kat bij. We hebben haar Mies gedoopt.
Eigenlijk is Mies een rare naam voor deze kat. Bij Mies denk je namelijk aan een lieve, rustige, aanhankelijke poes. “Aap, Noot, Mies” klinkt heel lief en zorgzaam. Lief is nu niet echt de eerste karaktereigenschap die je bedenkt bij Mies. Wat dat betreft hadden we haar beter Monster kunnen noemen. Of Tijger. Of Pasopvoorjevingers.

Mies is wild. Of op zijn minst ontzettend verwilderd. Volgens mij heeft ze een tijdje vanaf een afstand zitten beoordelen bij welk huis ze het beste kon aankloppen. Waarschijnlijk heeft ze de paarden op de wei zien lopen, gezien dat die altijd de beste zorg krijgen die er is en heeft ze ons met liefde met de paarden en de hond zien werken en heeft ze van Nelson gehoord dat er een vriezer vol vlees in de garage staat. Hoe dan ook zat ze op een dag bij ons in de loods. Doodsbang en broodmager. Mijn dierenhart kon het natuurlijk niet aanzien en ik gaf haar na een paar dagen wat melk. Niet goed voor een poes, ik weet het, maar ach. Een beetje melk gaan ze niet dood van en dit beest had echt honger. Het zag er niet uit alsof ze nog weg ging en ze was zo dun… Na twee dagen verving ik de melk door voer. Ze at alsof ze in weken niets meer gegeten had.

Poes

Na een week kon ik wat dichter in de buurt komen en zag ik tot mijn grote schrik een hele dikke, ronde buik. Mies was drachtig. Ja joh, waarom ook niet?! Ik belde de dierenambulance van Helmond, het asiel in Deurne, belde een stichting voor straatkatten en de dierenarts. Een uur lang ging ik van het kastje naar de muur waarbij de uiteindelijke conclusie was dat niemand deze kat zou komen ophalen. Leuk en aardig, maar ik heb niet zo heel veel zin in een wilde kat die straks jongen krijgt die dan ook weer wild worden en zich wellicht met elkaar gaan voortplanten. Niets doen was dus geen optie.

En dus haalde ik na lang zoeken in het dorp een vangkooi. De dierenarts had me gezegd dat het vangen van een wilde kat gemiddeld drie dagen duurt, dus ik had nog tijd genoeg om te bedenken wat ik zou gaan doen als ik haar gevangen had. Ik zette de val, legde er voer in en liep de loods uit. Ik was nog binnen gehoorsafstand toen ik een luide klap hoorde en een flinke schreeuw. En ja hoor. Ik had een kat gevangen. Niet na drie dagen maar na drie minuten. Wat moest ik nu in hemelsnaam met haar doen?
Ik reed naar de plaatselijke dierenwinkel en legde daar de situatie uit. ‘Oh oh oh, wat een drama’, zei de winkelier. Dat klonk niet heel hoopvol. Een paar minuten later stond ik me druk te maken over kattenbakkorrels. Moest je nu klonterende of niet-klonterende korrels nemen? Met geurabsorptie of zonder? Er stonden ik weet niet hoeveel soorten korrels en ik had echt geen flauw idee. Ik besloot de goedkoopste klontervormende korrels te nemen. Geen idee wat dat betekende maar de zak zag er leuk uit.

Even later zette ik Mies in een lege paardenstal. Terwijl ik de vangkooi verplaatste deed ze een poging om mijn vingers eraf te bijten en liet ze zien hoe mooi ze haar tanden had gepoetst. Een wilde kat is duidelijk geen huiskat. Ik besloot werkhandschoenen aan te doen.
Eenmaal in de stal liet ik haar los. Ik gaf haar een schuilhok wat ik normaal voor de konijnen gebruik, een kattenbak vol met korrels, eten en water. Maar Mies was en bleef boos, want ik ontnam haar de vrijheid. Ik knielde naast de vangkooi en deed het luik omhoog. In plaats van wegrennen probeerde ze me een oog uit te krabben. De poot met flinke klauwen vloog gevaarlijk door de lucht. Ik ook van jou, Mies.

Boze poes

Een paar uur later ging ik kijken of ze al een beetje tot rust was gekomen. De kattenbak stond in de hoek, de betonvloer lag vol met kattenpoep en er hing een misselijkmakende lucht. Mies wilde schijnbaar geen kattenbak. Of het nu klonterende, lavendelgeurende of gouden korrels waren. Die kleine tijger wilde niets.

We zijn nu drie dagen verder. De kat blijkt gevaarlijker dan onze hond. Steek echt je vingers niet naar haar uit want dan ben je ze kwijt. Maar ach, het arme beest kan hier ook niets aan doen. En dus heet ze gewoon Mies, doen we alsof ze hartstikke lief is en zorgen we zo goed mogelijk voor haar. In de hoop dat ze gezonde jongen krijgt die we goed tam kunnen maken en we daarna Mies kunnen laten steriliseren. Als we tenminste een dierenarts vinden die het aandurft om zijn vingers in de kooi te stoppen om haar te verdoven. Pasopvoorjevingers was toch echt een betere naam geweest!

 

 

 

 

Zoef!

Gisteren hadden Gert en ik wedstrijd met Aerro, in Lelystad. De wekker ging die ochtend al om 6 uur, en om 8.15 stond Aerro gevlochten en gepoetst in de trailer. Ik heb geloof ik nog tien minuten mijn ogen open kunnen houden, maar daarna viel ik toch echt in slaap.

Gert maakte me 10 minuten voor aankomst wakker. Het rook er zout, in Lelystad. En wat stonden er veel windmolens! Waar je ook keek, overal stonden molens te draaien. Ze hadden het maar druk met deze harde wind. Meteen wist ik: ik zou hier niet kunnen wonen. Wat een onrust, al die draaiende wieken in je ooghoeken.
We reden het terrein op van de wedstrijd. Een mooi, nieuw en strak terrein met een ruime parkeerplaats. En een windmolen.
Ik hoorde het in de auto al. Zoef… zoef… zoef… Dit zou niet mijn dag worden.

En dat had ik goed ingeschat. Eenmaal uit de auto was het niet alleen de wind die om je oren gierde en mij mijn focus ontnam. Nee, het was vooral die windmolen met zijn gezoef. Wat een ontzettend hard, onrustig geluid. Het bracht onrust in mijn hoofd.
Er waren drie banen om los te rijden, waarvan één binnen. Godzijdank. Want ik werd gek van dat gezoef. Ik liep naar de losrijhal, stapte er naar binnen en sloot de deur. Het gezoef ketste tegen de wanden en kwam twee keer naar je terug. Stereo gezoef dus. Dit ging hem niet worden.

De buitenbak lag precies onder de molen. Gezoef in het kwadraat. Dit ging hem ook echt niet worden. De onrust in mijn hoofd werd erger en erger.
Terug bij de auto waren mijn schoonouders ondertussen gearriveerd. Ik probeerde Gert uit te leggen dat het niet ging lukken met deze onrust. Het geluid van de molen zong rond in mijn hoofd, mijn hartslag was ondertussen ongeveer 130 slagen per minuut en ik kon mijn focus niet vinden. Waarom waren we hier? Mensen, kom op, we springen in de auto en maken dat we hier wegkomen! ZOEF!

‘Als je nu je oortje in doet’, zei Gert, ‘dan kan ik je gewoon helpen met het rijden en luister je naar mijn stem’. Zoef, zoef, zoef. ‘Wat zei je Gert?’
Hij herhaalde het. Ik hoorde iets van helpen, zoef, oortje, zoef, luisteren, zoefzoefzoef. Ik werd gek. Helemaal knetter. Kierewiet. Het voelde aan alsof mijn ogen uit hun kassen zouden ploppen. Ik deed mijn best maar hoorde maar halve zinnen. Het geluid van de molen werd steeds erger. Nee, natuurlijk werd het dat niet, maar ik ging er op letten.
‘Schat’, als je nou… Schat. Iemand noemde mij schat. Waarom zou iemand mij schat noemen? Nu? Goh, wat gek! Zoefzoefzoef. De rest van de zin was weer langs me heen gegaan. Wat zei je? Gert, laten we gewoon naar huis gaan. Paard terug in de trailer en met gierende banden hier vandaan. Zoef zoef zoef. WIL IEMAND DAT DING UITZETTEN?!

Maar een para-wedstrijd is soms ook echt een wedstrijdje eigenwijs zijn. En Gert wilde rijden, want we waren er nu toch. Zoef! Je bent gek, Gert. Niemand kan hier rijden. Je wordt hier knetter.
Maar Gert nam me mee naar een plek vlak achter de hal, waar het geluid van de windmolen overheen trok. Je hoorde niets. Niet eens de wind. Het was stil. Eindelijk.
Binnen vijf minuten was ik rustig. Maar losrijden, dat lukte niet. Want het geluid kwam over de manege heen en was alleen niet te horen als je tegen de muur bleef staan. En dus bleef ik daar tegenaan geplakt staan, met mijn oortje in om Gert te helpen met losrijden.

Ondertussen meldde Henny mij af. Gert kon rijden, maar ik niet. Ik zou gillend gek worden als ik los moest rijden met dat gezoef, en de kans dat ik mijn frustratie zou afreageren op mijn paard bestond. Ik weet dat ik dat kan als ik zoveel chaos heb in mijn hoofd, en ik vind het vreselijk. Maar het hoort bij mij, bij mijn NAH, en het enige juiste wat ik dan kan doen is gewoon niet opstappen. En dus zou ik dat niet doen. Jammer van de wedstrijd, eerlijk naar het paard.
De organisatie probeerde de eigenaar van de molen te bereiken met de vraag of hij niet tijdelijk stilgezet kon worden zodat ik alsnog kon rijden, maar dat bleek zo’n hels karwei dat ze daar niet aan wilden beginnen. En terecht. Ik was de enige ruiter die last had van het geluid.

Een kleine tien minuten later kwam er een vrouw van de organisatie zeggen dat ze met de jury had overlegd en dat ik binnen in de wedstrijdhal mocht losrijden. De hal waar je de molen amper hoorde, en waar ze speciaal voor mij de radio aanzetten om te zorgen dat ik me niet weer kon focussen op het monotone geluid van de molen. En zo kon ik dan alsnog starten. Met 11 minuten om los te rijden, maar ik was er blij mee. Nu ik mijn rust had kon ik weer focussen. Het lukte me om Gert te helpen met losrijden, om twee proeven voor te lezen bij Annemarieke en om zelf te rijden. 11 minuten was kort, maar ach. We zouden er gewoon het beste van maken. En dat deden we. We kregen een 9 voor het binnenkomen. Misschien ook omdat ik er zo blij uit moet hebben gezien. Nog geen uur geleden wilde ik alleen maar naar huis en nu reed ik een proef in.

De prijsuitreiking was leuk. Aerro haalde met Gert 2x een eerste plaats in Grade 2 en met mij werd hij twee keer eerste in Grade 3 die in handicap werd gereden met Grade 4. Met Gert was hij ook nog de beste combinatie van de dag.

Eind goed, al goed. Met grote dank aan de organisatie die zo goed meedacht en hielp met het zoeken naar een oplossing. Eenmaal weer buiten gingen we in een rechte lijn naar de auto. Het gezoef op de parkeerplaats deed mijn nekharen weer overeind staan. Op naar Neerkant maar weer, naar de rust. En als we ooit zelf stroom willen opwekken, dan nemen we zonnepanelen!

 

Mooi mens

Vandaag was het wedstrijd op de rijvereniging. De rijvereniging waar ik al 18 jaar lang trouw lid van ben. De rijvereniging op de manege waar ik 18 jaar geleden een ongeluk kreeg.

Er was een grote dressuurwedstrijd georganiseerd, en ik vind het altijd leuk om te helpen. Ditmaal mocht ik schrijven. Wat een verrassing was het om de eigenaresse van Lucy in de ring te zien verschijnen. Lucy, de merrie die niet te laden was, kon eindelijk op wedstrijd. Haar eigenaren waren ontzettend blij dat ze mee kon. Ook kwam ik de eigenaresse van Caliënta nog tegen, de merrie die last had van verlatingsangst. Ook daar ging het ontzettend goed mee, en ook deze eigenaresse was heel blij.

Het schrijven was leuk. De jury was gezellig, we kletsten wat af en ondertussen kreeg ik ook nog de nodige informatie mee over het correct rijden van een proef. Altijd leerzaam!
Toen ik in de pauze naar de kantine wilde lopen, werd ik aangesproken door twee oudere mensen. ‘Sorry, misschien is het een rare vraag hoor, maar bent u niet het meisje wat hier ooit zo’n zwaar ongeluk heeft gehad? Een klap van een paard?’ Ja, dat was ik. Geen twijfel mogelijk.
Er ontstond een mooi gesprek. De mensen konden het zich nog goed herinneren. Hoe ik, vlak na het ongeluk, ook al bij deze wedstrijd hielp (of althans, een poging deed om te helpen). Hoe ik er had uitgezien, met de littekens nog zichtbaar op mijn hoofd, mijn gezicht nog niet gereconstrueerd. Ze vertelden me hoe bijzonder ze het vonden dat ik hier nu, 18 jaar later weer was. ‘Weer?’ vroeg ik. ‘Nog steeds hoor. Ik ben nooit echt weg geweest.’

Marloes en Brieske

De man en de vrouw konden het bijna niet geloven. ‘Moet dat niet moeilijk voor je zijn, steeds rond te lopen op de plek waar je leven voorgoed is veranderd?’, vroegen ze.
Ik heb er nog veel over nagedacht vandaag, over deze vraag. En hoe langer ik erover nadenk, hoe zekerder ik weet dat ik het juiste antwoord gegeven heb.
Nee, het is niet moeilijk. Het is niet moeilijk om daar te zijn. Maar dat komt niet doordat ik nou zo bijzonder ben, nee, dat komt door al die lieve mensen die ik daar heb leren kennen. De eigenaren en hun dochter, die me altijd zo goed geholpen hebben. Ik ben altijd blijven lachen, ook in het ziekenhuis. Maar hoe kon ik ook anders, als de grote baas van de manege je met je ziekenhuisbed en al een rondleiding geeft door het ziekenhuis. Ondertussen mijn bed zo snel als zijn benen hem konden dragen voor zich uit duwend. Ik weet nog hoe ik in een deuk lag. Hoe fantastisch ik het vond om als 10-jarig meisje op topsnelheid in mijn bed door de kelder van het ziekenhuis te sjezen.

Ik weet ook nog goed hoe leuk het altijd was op de manege. Dat ik daar altijd even alles vergeten kon. De revalidatie, mijn harde werken op school. Ik mocht er altijd mijn lievelingspony komen borstelen. En elke week stond er iemand voor me klaar om mij daarbij te helpen. Ze leerden me er weer paardrijden, ze leerden me er de basis van de omgang met paarden die ik nog elke dag met me mee draag. Ik leerde er Raffinette kennen, beleefde vele uren plezier met haar.

Ik reed er carrousel, ik deed mee met het ponykamp waarbij ik dicht bij de leiding sliep en niet in de drukte. En ik rijd er nog steeds. Ik kom nog wekelijks op deze stal, vol lieve mensen. En ook vandaag sprak ik er weer zoveel oude bekenden. De één hielp me altijd met Raffinette, de ander zat vaak aan mijn bed in het ziekenhuis. Er waren er die me over mijn angsten hielpen, en leeftijdsgenoten die mij weer even kind lieten zijn.

De vraag van de oude mensen maakte me bijna emotioneel. Bijzonder dat ik nog op deze plek kom? Nee! Het is een bijzonder plek. Waar ik heel graag kom.
Ik was op het verkeerde moment op de verkeerde plaats, 18 jaar geleden. Het was niemand zijn schuld. Er waren ongelukkige omstandigheden die samenkwamen en waardoor mijn leven er voorgoed anders uit ziet, dat is waar. De vraag is alleen of mijn leven er slechter van is geworden. Zou ik me er ook van bewust zijn geweest hoe bijzonder het leven is?

Deze vraag, van twee oude mensen, op een zonnige zondag in augustus. Hij maakt dat ik nu mijn blog schrijf en deze gebruiken wil voor een dankjewel. Dankjewel, aan al die lieve mensen. Die wel weten over wie ik het heb. Dank jullie wel dat ik altijd kon blijven lachen. En dat jullie de plek waar mijn leven veranderde, altijd een mooie plek hebben laten zijn.

‘Je bent een mooi mens, Marloes’, zeiden de twee oude mensen. ‘Wat knap dat je zo in het leven staat.’ Dat compliment steek ik in mijn zak. Met de wetenschap dat ik het aan zoveel mensen te danken heb dat ik ben wie ik ben.

Helmet Awareness Day

Vandaag is het internationale Helmet Awareness Day. Wattuh?
Helmet Awareness Day dus. Oftewel: er wordt internationaal aandacht besteed aan het dragen van een cap of helm tijdens gevaarlijke sporten. Ook de paardensport besteed er vandaag aandacht aan, en ik juich dit van harte toe.

IMG_9748

In 1997, ik was toen 10, kreeg ik een klap van een paard in mijn gezicht. Ik zat niet op paard en dus droeg ik geen cap. Nu zou een cap in die tijd wellicht ook niet heel veel schade hebben tegen gehouden hoor. Want destijds had ik een cap die vast zat met 1 elastiekje en zo dik was als de schaal van een ei. Zo hard was hij waarschijnlijk ook. Maar toch. Ik vraag het mezelf toch wel eens af of ik minder last had gehad van Niet Aangeboren Hersenletsel als ik destijds een cap op had gehad zoals die er nu zijn. Het antwoord is denk ik ‘ja’.
De hoef van het paard zou nog net zo hard vol op mijn neus zijn aangekomen en ik zou er geen bot minder door gebroken hebben. Maar ik zou niet, door de kracht van de klap, achterover zijn gevallen en op mijn schedel zijn beland. Nee, de cap zou de klap op mijn hersenpan toch wel mee hebben opgevangen.

Ik sta nog met grote regelmaat met grote ogen van verbazing te kijken naar ruiters (en menners) die rijden zonder cap. Het is zo warm, zeggen ze dan. Of, het zit niet lekker. Weet je hoe warm een drukverband om je hoofd is, als je wakker wordt uit een operatie? Weet je dat een rolstoel wellicht ook zo lekker niet zit?
Mijn paard is toch braaf, daar val ik echt niet af. Tot dat dit hele brave paard zich verstapt en jullie samen op de grond belanden. Ik zag het in mei nog gebeuren op een internationale para-dressuur wedstrijd, al had de berijdster daar gelukkig wél een cap op. Het brave paard verstapte zich, viel voorover op zijn knieën, de ruiter viel eraf en het paard ging op haar hoofd staan toen hij zichzelf in evenwicht wilde houden.

Van mij mogen ze het dressuurhoedje afschaffen. Meteen.
Al kan je nog zo goed rijden, al heb je nog zoveel ervaring en al neemt de ruiter het risico. Elke dressuurruiter heeft fans. Vooral vaak jonge kinderen. Waarom geven wij in dressuurland toch nog altijd het verkeerde voorbeeld? Met paardrijden hoor je een cap op. Of je het daar nu warm van denkt te krijgen, of je er een coupe-220-windkracht-10 van krijgt of dat je het niet lekker vindt zitten. Paardrijden en cap gaan hand in hand.

Van mij mogen ze ook de fietshelm voor kinderen invoeren. In Duitsland deden ze dat ooit ook, en alle kindjes fietsen er zonder klagen met een helmpje. Onzin? Tot het jouw kind is dat met zijn hoofd op de stoeprand valt en hersenletsel overhoudt. Van mij mogen ze het verplicht stellen dat je tijdens gevaarlijke sporten als wielrennen, paardrijden en skieën een helm draagt. Altijd, en overal. Tijdens trainingen en wedstrijden, bij verenigingen en thuis. Niet controleerbaar? Nee. Maar wel te promoten. Dat doet het dressuurhoedje nu niet bepaald.

Gelukkig zijn er steeds meer ruiters die kiezen voor een helm tijdens het rijden, en daar ook voor kiezen tijdens wedstrijden. Neem Charlotte Dujardin, of Adelinde Cornelissen.

Mij zal je in elk geval nooit zien zonder cap. Ook niet om even een paard uit te stappen of een foto te maken. Want die ene foto ik zou maken zonder cap kan ik toch nergens voor gebruiken omdat het niet is waar ik voor sta. Veiligheid. Tijdens het werk als gedragsdeskundige zal je mij ook vaak een cap zien dragen. Als er 3 meter paard voor je staat te steigeren en met zijn benen staat te zwaaien is er ook gevaar. Als je een moeilijk paard moet laden en je valt van de laadklep, is er óók gevaar. Als je jouw paard moet voorbrengen op een keuring en hij gooit zenuwachtig met zijn hoofd of hij steigert wel eens, zet dan je helm op. Wat kan jou het schelen. Het gaat om je eigen veiligheid!

IMG_8778

Helmet Awareness Day. Niet alleen tijdens het paardrijden. Ook als je gaat mountainbiken, wielrennen, skiën of skeeleren. Als je kleine dochtertje gaat leren fietsen zonder zijwieltjes, zet haar dan een helmpje op. Heb je een paard dat wel eens met zijn voorbenen van de grond komt, haal je cap dan gewoon uit de kast en neem geen risico.
Ga naar de winkel en koop een goede cap. Schaf er één aan die goed ventileert (ja echt, die zijn er anno 2015!) en lekker zit. Zorg dat hij een beetje modieus staat en klaar is kees. Doe het voor jezelf, en voor de mensen om je heen die zoveel van je houden en je graag heelhuids thuis zien komen.

IMG_7073

Een beetje een strenge blog dit keer, maar ik word hier nog altijd wat emotioneel van. Er zijn nog steeds mensen die het niet lijken te begrijpen. Hersenletsel is ingrijpender dan je denkt…

Nagelbijten in de tropen

Van hitte wordt een mens een heel stuk minder kritisch. Afgelopen woensdag vertrokken Gert, Aerro en ik richting Überherrn voor een internationale wedstrijd. De ouders van Gert reden met al onze spullen achter ons aan. De weerberichten voorspelden zon, zon en zon. Mijn koffer zat volgepakt met nette kleding voor op de wedstrijd en wat mouwloze shirts en korte broeken voor de momenten dat ik in het hotel zou zijn.
Donderdag, de dag van de veterinaire keuring van de paarden, begon mijn ijdelheid al wat af te nemen. Niet dat ik iemand ben die uren voor de spiegel kan staan hoor, maar ik wil er toch wel altijd netjes uitzien. Met temperaturen van ruim boven de 35 graden begon ik daar echter toch wat minder aandacht aan te besteden. Nog voor het middageten rolde ik mijn broekspijpen op tot 3-kwart lengte. Dat mijn benen gesponsord leken door de Melkunie interesseerde me eigenlijk niet zo heel erg veel. Ik was nog even van plan om voor de keuring een lange spijkerbroek aan te doen maar daar zag ik uiteindelijk toch vanaf. Het zweet liep me met mijn korter model ook al genoeg over mijn rug. Ik haalde er mijn persoonlijk record invlechten in de snelste tijd. Binnen 15 minuten had ik Aerro gevlochten en een half uur later stond ik zijn vlechtjes er al weer uit te halen. Aerro vond vlechtjes met warm weer namelijk helemaal niet zo’n goed plan. Die vlechtjes moesten er uit vondt hij, en dat kon prima door ze langs de waterbak te schuren. Dat leek me nou niet zo’n goed idee. Net zoals ik het niet meer zo’n goed idee vond om de rest van de week in T-shirts rond te lopen die al na een kwartier aan je lijf plakten. Ik verruilde mijn nette oranje ‘wij komen uit Nederland shirt’ voor een zwart, mouwloos exemplaar.

Aerro vetcheck Uberherrn

Vrijdag begon de wedstrijd. De organisatie vond het niet nodig om de aanvangstijd van Grade II te veranderen in verband met het warme weer. En dus stapte ik, terwijl het zo rond de 40 graden was, ’s middags om 14.15 op een topfitte Aerro. Wat een fantastisch paard is het toch. Niet alleen is hij ontzettend braaf, doet hij elke dag zijn uiterste best en is hij daarnaast ook nog eens super lief. Nee, hij laat zich niet uit het veld slaan door extreme temperaturen of hordes dazen. Hij zet gewoon zijn beste beentje voor alsof hij niet anders gewend is. We pasten uiteraard het losrijden aan de warmte aan. We lieten het galopperen geheel voor wat het was, bleven zo lang mogelijk in de koele binnenbaan en hielden zijn conditie nauwlettend in de gaten. Maar Aerro had duidelijk minder last van de warmte als ik. Terwijl bij mij het zweet over mijn rug liep, van mijn make-up-loze gezicht stroomde en mijn voeten in mijn laarzen sopten voelde Aerro niet vermoeid of ongemotiveerd aan.
Het losrijden van Gert ging top. Ik spoot ongeveer een halve fles dazenspray op Aerro leeg zodat hij zeker geen last van dazen zou hebben tijdens de proef en liep nog een rondje mee langs de ring. Aerro zag er tiptop uit, hij had weinig last van de warmte, weinig last van dazen. Niets stond een goede score nog in de weg.
Terwijl Gert zijn proef reed beet ik zo ongeveer mijn nagels van mijn vingers af van spanning. Het ging goed. Het ging goehoeed! Tot ineens de bel ging. Wat?! Aerro danste een mooie proef maar helaas was, zoals Frank Hosmar later zei, ‘de TomTom van de chauffeur stuk’. Gert maakte een programma fout. Toen hij die fout later wilde compenseren door een extra goede laatste uitgestrekte draf te laten zien werd hij wat overenthousiast en liet hij Aerro per ongeluk in galop aanspringen. Weg goede score.
Hoe lullig en vervelend ook, het kan de beste overkomen. Zó gefocust zijn dat je een foutje maakt. Balen. Natuurlijk. Maar vooral: niet bij de pakken neer gaan zitten. En dat deden we dus ook niet.

Aerro rond de ring

Het was een hele klus om Aerro fit en fruitig te houden. Koelen met water, koelen met koelelementen om de benen. Grazen in de schaduw, een zuchtje wind opzoeken. En dan hadden wij het nog niet slecht. Want wij stonden in een andere stal dan de rest van de Nederlanders. Aerro kan namelijk niet goed tegen stro, en in de tenten die waren opgezet voor de paarden lag dit rijkelijk in de gangpaden en de stallen. Het zou voor Aerro niet te doen zijn om met deze lage luchtvochtigheid, hoge temperatuur en daardoor veel stof, te kunnen presteren. De organisatie begreep dat en plaatste Aerro daarom in een ander gedeelte van het stallencomplex. Niet dat het daar niet warm was, maar het was er echt minder benauwd dan in de tenten. Het welzijn van het paard staat voorop. Ook al maakte het de sfeer van de wedstrijd minder, omdat we niet zoveel in contact waren met de overige Nederlanders.

Het werd zaterdag. Ik werd wakker met een compleet vermoeid lijf en verschrikkelijke rugpijn. Ik kon nauwelijks bukken en nauwelijks op een stoel zitten. Ik hield mijn adem in of ik Aerro fatsoenlijk kon losrijden voor Gert. Thuis gebruik ik dan vaak een spiercrème die de spieren warm maakt en daarmee gaat de pijn vaak over. Ik smeerde mijn rug er mee in, nam een pijnstiller en hoopte er het beste van. Naarmate het warmer werd kwam ik erachter dat warme crème en extreme hitte niet samen gaan. Mijn rug stond in brand. Oké, misschien was het zonder die zalf ook warm genoeg geweest voor mijn spieren. Maar wist ik veel. Het werd heet, heter en uiteindelijk stond ik in mijn BH in het gangpad met een handdoek verwoed het spul van mijn rug af te wassen. Kritisch? IJdel? Alles ging overboord, maar het werd alleen maar erger. Ik kreeg steeds meer zin om zelf onder de koude slang op de koelplaats voor de paarden te gaan staan maar dat zou er toch wel een beetje té gek hebben uit gezien. De SOS heating gel werd tijgerbalsem XXL voor gevorderden.
Het werd weer tijd om te rijden. Met mijn lange rijbroek, rijlaarzen en cap was het eigenlijk niet eens zo heel veel warmer meer als zonder. Warm was het namelijk toch overal. En we hadden een missie. Aerro zo goed mogelijk klaarmaken voor de proef van Gert. Het uitzweten van de crème bleek de enige oplossing en laat dat nou prima lukken als je om 11.30 in de zon moet rijden in een hittegolf waarbij het kwik regelmatig de 40 graden aantikte.

Jemig wat was het spannend. De afdrukken van mijn tanden stonden later in mijn vingers. Het ging weer zo goed als de dag ervoor en ik kon alleen maar hopen dat Gert nu geen fouten zou maken. Dat deed hij niet. Hij reed de beste proef tot nu toe. Het harde werken op de keertwendingen, waar hij zijn kaderscore in Roosendaal op verloor, werd beloond met twee voldoendes. Het wachten op de score duurde lang maar we konden een vreugdedansje maken. Hij had zijn internationale kaderscore gehaald. Missie geslaagd!!!

Aerro en Gert close up

Oké, het was een domper dat hij 8e stond in het klassement en de beste 7 de kür op muziek mochten rijden. Maar goed, die score nam niemand hem meer af. Toen we later die avond met z’n vieren in de buurt gingen eten om de goede score te vieren kon de sfeer niet meer stuk. Ik zat in het restaurant met een korte broek die ooit wit was geweest, een shirt dat aan mijn lijf plakte van het zweet, een petje dat vooral lekker zat maar niet bijster modieus was en mijn schoenen verruild voor slippers. Het kon me eigenlijk niet schelen. Het was warm, het was gezellig en als je een schoon shirt aantrok was het binnen vijf minuten weer nat en vies. Wie maakte het eigenlijk ook uit? Toen ik ook nog dacht dat Rikus een uit de kluiten gewassen augurk in zijn salade had zitten en hij er een groot stuk afbeet kregen we allemaal, op Rikus na, de slappe lach. De uit de kluiten gewassen augurk bleek peper te zijn en Rikus trok een mooie serie gekke bekken.

Terwijl we de spullen inpakten, Aerro lekker koelden onder de koude kraan en hem in de schaduw lieten genieten van zijn vrije uurtjes, genoten we van de prestaties van de mensen om ons heen. Nederland deed het top. De winst van Lotte, Rixt en Frank, de progressie van Sabine, de prestaties van Sanne, Demi, Nicole en Ilona. We keken de kür op muziek van Rixt en Uniek die een persoonlijk record pakten en zagen Demi met haar Vaness. We namen afscheid van Joyce en dierenarts Brenda en gingen op weg naar huis. Met een paard dat even fit was als toen we gekomen waren, een vuilniszak vol bezwete kleren maar vooral met de score die Gert zo graag wilde halen.